Het went niet

Het went niet

Het went niet

Het gewassen worden wil na al die jaren niet wennen. Dit keer komt de thuiszorgmedewerkster met een jongen van een jaar of 17. “Dit is J. Hij loopt stage bij onze organisatie. Hij komt meekijken.” Legt de medewerkster uit. Hij kijkt toe hoe ik uit bed wordt geholpen en hoe we naar de badkamer gaan. Ik vraag hem in welk jaar hij zit en hoe lang hij al stage loopt. Anders staat hij er ook maar zo bij.

Extra handoek

Hij gaat mee de badkamer in en gaat in een hoek staan. Terwijl ik mij laat wassen kijkt hij zwijgend toe. Dan vraag ik hem om een extra handdoek uit de kast te pakken. Hij heeft tenslotte toch even niets te doen. “U mag hem geen opdrachten geven!” snerpt de medewerkster. “Alleen ik mag dat doen!” Verbaasd kijk ik haar aan. Ze lijkt deze woorden echt te menen, het is niet grappig of ironisch bedoeld. En het past in een patroon. Een tip of wijzen op een handigheidje kan zomaar beantwoord worden met een snauw: “U moet niet op mijn stoel gaan zitten!”. Of: “Ik doe dit werk al twintig jaar, u hoeft mij niets te vertellen!” Dat ik fysiek niet zo veel meer kan is mij allang bekend. Dat ik niet mag meedenken met de zorg is dan weer een nieuwe ervaring. Zwijgend onderga ik de rest van de zorgverlening terwijl ik bedenk: het went niet, de angst van veel zorgverleners om de controle te verliezen.